Home » Ameland » Zomers gezoem

Zomers gezoem

Een strak blauwe lucht en al behoorlijk warm. Het was nog geen zes uur toen ik die zaterdag in juli bij de pont achter het Centraal Station in Amsterdam aankwam. Jarenlang ging ik naar Ameland tijdens de vakanties. Tot nu toe steeds met trein en bus. Nu voor het eerst met eigen vervoer, mijn eigen brommer.
Ik had de brommer nog maar een paar maanden. Gekocht met het gespaarde geld van het afgelopen jaar bij de bank waar ik na mijn schooltijd was gaan werken. En een lening bij mijn broer. Mijn vader vond dat lenen geen goed idee. Ik was het niet met hem eens. Dat ging zo begin jaren zestig.

Er was nog weinig belangstelling om over te varen. Een paar fietsers en nog iemand met een brommer. Toen de pont had aangelegd gingen we er op en kwam een man met bijna net zo’n brommer als die van mij naast me staan. Hij vroeg, wijzend op de koffer op mijn bagagerek: ‘Vakantieplannen?’
‘Ja, ik ga naar Ameland,’ antwoordde ik.
‘Dat is nog een mooi eindje rijden’, zei hij, ‘weet je de weg?’
‘Ik heb een kaart bij mij. De laatste boot naar Ameland gaat om halfacht vanavond, ik denk wel dat ik die haal,’ zei ik.

Terwijl de pont inmiddels was afgevaren vertelde de man dat hij bijna elk weekend naar familie in Friesland ging. Ik mocht wel achter hem aanrijden. Hij kende de kortste weg. Dat was een meevaller. Ik nam zijn aanbod graag aan. Aan de overkant van het IJ aangekomen begon mijn achtervolging.

Nadat we de laatste huizen van Amsterdam achter ons hadden gelaten rook ik de struiken en de lucht van pas gemaaid gras. Dat gaf me alvast een ‘Amelandgevoel’. Deze buitengeuren waren voor mij Ameland.

Dit jaar zou het anders zijn dan vorige jaren. Ik ging nu maar enkele weken in plaats van de hele zomer. Toch zou ik wel weer gaan helpen in de winkel van mijn oom.
Maar er was nog iets dat misschien anders zou zijn. Vorig jaar had ik een paar weken wat gescharreld met een meisje uit Drenthe. Ze heette Sientje en was toen met haar ouders op vakantie geweest.
Na de vakantie had ik nog eens een brief en een kaart gestuurd. Zij had toen teruggeschreven dat zij volgend jaar weer naar Ameland zou komen maar nu met een vriendin en zonder haar ouders. Wanneer dat zou zijn wist ik niet want na de kaart had zij niets meer van zich laten horen.
Als ze er nu eens toevallig de komende weken ook zou zijn, dacht ik terwijl ik langs een mooie opgetuigde molen reed.

Of het nu kwam door de gedachten aan mijn vakantieliefde van vorig jaar of het trillen van de motor van de brommer: ik had een heel zoemend gevoel in mijn onderbuik en tussen mijn benen.

Een paar keer stopten we bij een benzinepomp. We vulden de tank met benzine, onze maag met koffie en een koek, rookten een sigaret en vervolgden onze weg.
Het zoemende gevoel kwam steeds weer terug.

Aan het einde van de Afsluitdijk namen we afscheid van elkaar omdat mijn gids een andere kant op moest. Hij vertelde mij in het kort hoe ik het beste verder kon rijden. Ik bedankte hem hartelijk voor zijn begeleiding en ging richting Waddenzee.

In het begin van de middag kwam ik bij de aanlegsteiger aan. Ik had geluk, er was net een boot afgemeerd. Binnen een halfuur vertrok deze weer met mij aan boord. Door de noordenwind kon je heel ver kijken. Ameland leek binnen handbereik. Het zoemende gevoel was er ook nog steeds. Vooral als ik aan Sientje dacht.

De ontvangst was weer heel hartelijk. Elke keer als ik op Ameland kwam voelde ik mij gelijk weer thuis, het was mijn tweede vaderland.

’s Avonds kwam ik, al slenterend door het dorp, enkele Amelandse vrienden tegen. Hoewel het verleidelijk was gelijk met hen de kroeg op te zoeken ging ik toch mijn eigen weg. Ik wilde, hoe dwaas het ook leek, Sientje vinden. Om een uur of elf ging ik toch maar richting kroeg. Ik had haar niet gezien.

De volgende avonden ging ik steeds weer op zoek naar haar maar vond haar niet. Tot dinsdagavond. Bij de snackbar zag ik haar opeens staan. Ze stond er met nog een meisje, waarschijnlijk haar vriendin. Het zoemen in mijn onderlichaam steeg plots naar een climax. Zonder verder na te denken liep ik op hen af.
‘Hallo Sientje’, zei ik zo rustig mogelijk, ‘dat is ook toevallig’. Ze keek me aan met die mooie blauwe ogen van haar en kreeg het zo te zien ineens heel warm.
‘Hallo’, antwoordde ze na enige aarzeling, ‘dit is mijn vriendin’. Nadat we wat hadden bijgepraat nodigde ze me uit om met hen mee te gaan naar hun vakantie adres voor een kop koffie.
Ze logeerden in een gedeelte van een boerderij een eind buiten het dorp richting strand.
Ik had wel eens gehoord van mensen met slappe benen als ze zenuwachtig waren. Ik wist nu wat dat gevoel was.
De koffie werd gevolgd door cola met chips. Tegen een uur of elf ging de vriendin van Sientje (eindelijk) naar bed.
Even later vroeg ik aan Sientje: ‘Zullen we een eindje gaan wandelen?’. Daar voelde ze wel voor en niet veel later liepen we hand in hand door de duinen.

De duinpan waarin we gingen zitten was bedekt met veel gras en mos. Het licht van de vuurtoren trok lange banen over de duinen. Alleen de maan zag, hoe even later, onze monden en onderlijven elkaar moeiteloos aanvulden.

Die nacht in mijn bed was het zoemen er nog steeds maar voelde nu heel tevreden aan.

 

Een reactie tot nu toe.

  1. Peter schreef:

    Hoi Kees, er schuilt warempel ook nog een romanticus in jou!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *